Die eerste dag. Ik had besloten leerbaar te zijn, aangezwengeld door mijn man. Ik had zijn opleving gezien tijdens het volgen van het Gideonprogramma voor mannen, ik wilde niet het onderspit delven dat ik niet bereid was te leren om daardoor een bron te zijn wat ons huwelijk kon stagneren. Ik wilde zelf ook graag willen, mijn verlangen om Achsa te gaan doen was: beter het leven leren leven. En ik had ook nog mijn innerlijke afstemming met Jezus dat ik het gevoel had te moeten gaan.
Bomvol controle en weg-gaan-stress stapte ik in de auto. De jurk – die ik besloten had sowieso niet aan te trekken – zwaaide om mij heen. Zo wijd, kleurig en zwierig dat je mij niet kon zien, tot in de finesse uitgewerkt in gelakte nagels en haren vol krullen. Ik kon voor de dag komen en ik zou mijzelf zeker staande houden.

Ik had om mijzelf te beschermen al zoveel mogelijk gecontroleerd met mijn eigen invulling: die Dineke kende mijn man natuurlijk al dus zo zou ze mij als vrouw van waarschijnlijk beschouwen. Alle puzzelstukjes van zijn verhalen over het leven met mij als zijn vrouw zouden bij binnenkomst op hun plaats vallen bij haar. Ik werd warm en nieuwsgierig ontvangen, en ik zette alles in om iedereen keurig te begroeten, niets fout te laten gaan, alles volgens de sociale regels en wetten, elk woord uitermate zorgvuldig geformuleerd en gewogen.
Als kennismaking kregen we een vond ik makkelijke opdracht. Ik hoefde enkel te voelen welke kaarten bij mij zouden passen. Tadaa daar kwam al zoekend de druk om het goed te doen om de hoek kijken en ooh ja, botste ik niet per ongeluk tegen iemand aan onderwijl. Nog steeds in control. En ergens daar ontstond er ook een klein vonkje van vreugde om mijn eigen voelen in het zoeken van kaarten te ontmoeten. ZO voelde het voor mij.
Mijn angst was dat ik iets fout zou doen, dat mijn zorgvuldig opgebouwde controle ontmanteld werd. Ik woog daarom elk gesproken woord van de ander en vulde in wat ze ermee zouden bedoelen zodat ik door kon bouwen aan mijn controle. Aan het eind van het kaartenrondje ontglipte mij een nieuwsgierige vraag naar een extra kaart van één van de deelnemers. Ik kreeg de vraag of ik voor haar wilde zorgen? Ik voelde enkel nieuwsgierigheid. Ik zei verontschuldigend: Ik wilde graag weten of die kaart nog aan bod zou komen. En in mijn hoofd draaiden alle opties af: was die opmerking fout? Zat ik in het vaarwater van de coaches? Mag ik met een ander bezig zijn? Ik had dit niet moeten laten ontglippen, ik was te impulsief. Het gevolg: ik voelde me niet goed genoeg. En ambivalent genoeg viel het kwartje: Ik zit hier voor mijzelf. Het gaat voor mij om mijn proces.
Met die kwetsbaarheid dat het niet goed genoeg was ging de dag verder. In de pauze wilde ik deze ruimte van warmte en aandacht zo lang mogelijk behouden, ik bleef nog even schrijven. Ik werd gevraagd om in een andere ruimte mijn schrijfwerk te vervolgen. Uiterlijk kalm zei ik: prima. Van binnen ontplofte ik, ik voelde me weggestuurd door de juf. Ik verlangde aandacht en warmte, ik voelde me kwetsbaar en niet goed genoeg. EN IK MOEST WEG.
Ik was zo boos dat ik niet vanzelf gezien werd dat ik niet bereid was te lunchen, me overgaf aan zelfmarteling in plaats van zelfcompassie. Ik schreef mijn ellende uit in de pauze, ik stampte mijn boosheid de grond in in het bos. Ik was mijn controle kwijt, maar mijn beheersing zeker niet. Uiterlijk kalm vervolgde ik de middag. Een tekening maken zou me goed af gaan. Ik was teleurgesteld dat mijn tekening niet tot in de details werd besproken en ik vroeg niks en ik zei niks, en ik wentelde me in mijn: ik niet.
Ondertussen voelde ik bij alle vrouwen hoe ik me tot hen verhield. Had ik een connectie met die, voelde ik een eenheid met die, kan ik tippen aan die. Ik dacht dat ze Dineke allemaal wel kenden behalve ik. Niets was minder waar, en zo plaatste ik mezelf in isolement. En dan was er steeds de verrassing als de vrouwen woorden gingen geven en mijn invullingen over hen niet gegrond waren, ze zo verfrissend creatief, bedachtzaam of snel praten en de inhoud me ongelofelijk aan het denken zette. Doe jij dit zo, hoe doe ik dat? Ik genoot van het beschouwen van alle wijze lessen die zich voor mijn ogen afspeelden.
Ik kreeg deze vraag: Waar was ik als ik naar buiten keek? Ik hoorde: je bent er niet, ben je misschien autistisch? Gecombineerd met allerlei angst van mijn analyses, familie en school stemmen die joelend versterkten. Mijn brein vernauwde, het gevoel van haspelende woorden die niets echt weergeven zoals het vanbinnen voelde. Ik kon toch zeker niet zeggen waar ik heimelijk zo bang voor was, want als ik autistisch bleek te zijn had ik hier geen kans meer. Koste wat het kost perste ik er wat verstandelijke woorden uit die ook gevoelsmatig zoveel mogelijk moesten kloppen, ik was totaal verward. Ik voelde vanaf de andere kant open vragen en een stroom van verlangen om te zien en te horen wat mij bezighield. Onbewust vulde dat mijn vertrouwen dat ik hier gewoon ik mocht zijn en koesterde ik me daaraan, maar niets in mij kon mij toestaan zo vrij te zijn. Ik zocht in de laatste ronde van de dag, in mijn zekerheid in taalkwaliteit, naar een miniem passend en verassend woord, zodat ik even zou verbluffen en ik met een tevreden gevoel naar huis kon gaan. Er werd om gelachen, en hoewel ik me dat kon voorstellen vond ik het ongemakkelijk.
Ik stapte in de auto met een vreselijke hoofdpijn, de beheersing was meer dan maximaal geweest. The day after verzamelde ik al mijn bravoure en stelde een bedekte uitgedachte vraag in de groepsapp om een weg voor mijzelf te openen: waarom werd er gelachen om mijn laatste-rondje-woord, want mijn doel was niet om grappig te zijn? Die vraag neerzetten hielp me de rest ook te laten komen. Zeer zorgvuldig geformuleerd en zo puur en afgepeld mogelijk stuurde ik na een halve avond wikken en wegen mijn ervaringen en hoe ik die had ingevuld. Wat een ontdekking! Ik kreeg de eerlijke andere kant open en uitgebreid terug, de open stroom van nieuwsgierigheid naar mij en opnieuw: kom maar, je bent welkom met hoe je bent. Er viel een eerste touw van mijn omknelling af.
